Fatal Flowers – Fatal Flowers 10 inch
In 1985 verscheen het gelijknamige debuut van Fatal Flowers. Dit mini-album markeerde de vliegende start van de Amsterdamse gitaarband (later The Fatal Flowers) die in de tweede helft van de jaren 80 furore zou maken in binnen- en buitenland met onder andere optredens op Pinkpop en Parkpop. De liedjes van dit eerste album zijn overduidelijk geworteld in de pop en rock van de jaren 60 en 70, wat opvallend was in een tijdsgewricht dat gedomineerd werd door postpunk/new wave en technologisch gedreven pop. Het album werd opgenomen in London, in de Britannia Row Studios van Pink Floyd onder leiding van Ramones en Blondie producer Craig Leon (alias Atlas). Het leverde de band veel publiciteit en optredens op en het was de opmaat naar de succesvolle en met Edisons bekroonde albums Younger Days en Johnny D. is Back!.
Dit eerste mini-album was bijna 40 jaar niet meer verkrijgbaar op vinyl en wordt nu opnieuw uitgebracht door Concert Records ter gelegenheid van de op handen zijnde festivaltour deze zomer. Ditmaal is de plaat aangevuld met extra track Who Loves the Sun. Deze Velvet Underground cover verscheen oorspronkelijk als b-kantje van single Billy. Het album komt uit in een gelimiteerde oplage in de oorspronkelijke hoes en als 10”. De 7 tracks zijn geremasterd door Marc de Reus.
Uit Sounds (UK), januari 1986 (4 sterren): ‘Fatal Flowers have essentially a ‘60s hippy-go-lucky sound, but have saved this six track mini-album from being lightweight with a barrage of blues and country influences. ’Crying over Sin’ also proves that The Fatal Flowers have mastered the art of the great climax.’ Neil Perry
Uit OOR in juni 1985: ‘De sixties voeren de boventoon in vijf melodieuze liedjes en één instrumentale Rip Off, ergens tussen Pipeline en Link Wray’s Rumble in, maar van een doorgevoerd epigonisme is geen sprake. De Stones, Johnny Thunders, een vleugje Westcoast-psychedelica; allerlei invloeden zijn op de plaat terug te vinden en de Fatal Flowers spelen alsof ze nooit anders gedaan hebben.’ Jan Vollaard


